door de gejaagde wolken breekt de zon
en een kern van wilde kastanje, barst open
ontdaan
van haar stekelige schil
door de achteloze neus van een schoen
het vlies gebleekt
gebroken wit canvas voor follikels
als de geëpileerde akkers
waar gisteren nog legers van maïs
zonnebloemen naar de kroon staken
ergens gilt nog een klaproos
ergens ligt nog het hart van
een wilde kastanje
naakt
bruut
van haar zomer beroofd


