Jij klinkende klare,
halve gare…
Woarschuutnoare…
Stukje niemendal
halfweg het verval.
ellendige moeial.
Zo klonk mijn verweer
aan de toog van mijnheer.
De waard van ‘t café
was met mij deel van twee.
We klonken op dorpen
en geheel onverdiend
werd mijn tirade verworpen,
raakten wij zelfs bevriend.
Schol aan jou, dierbare kroeg waar ik zo van hou en nooit om vroeg.

